Op 22 november jongstleden vond bij het Gerechtshof het slotpleidooi plaats in de zaak tegen SENA over de vaststelling van het tarief voor dance events.

Jurist Bjorn Schipper houdt zich bezig met de SENA- en Buma-problematiek voor de dance-leden binnen de VVEM. Hij heeft bij het Hof in Den Haag een pleidooi mag worden gehouden over wat een ‘billijke SENA-vergoeding’ is en bepleitte dat de recette geen goede grondslag is voor de berekening van het tarief. In ieder geval niet zonder rekening te houden met aftrek van allerlei productiekosten die volledig los van de muziek staan. “In hoeverre is die recette een zuivere grondslag voor muziekgebruik? Zeker in tijden dat aankleding, randprogrammering, beveiliging en nog zo vreselijk veel meer zaken onderdeel zijn van een evenement en dus ook van de kostenstructuur, vinden wij dat een vergoeding die is gekoppeld aan de waarde van de muziek en het werkelijk gebruik van het auteurs- en nabuurrechtelijk beschermd repertoire eerlijker en transparanter zou zijn”, aldus Schipper.

Het door SENA gehanteerde tarief van 1,5% van de recette is (veel) te hoog, zo vindt de VVEM. Een mogelijk alternatief is een tarief in centen per bezoeker. Daarbij dient dan wel rekening gehouden te worden met de grootte van het event, ticketprijs en of het op een daarvoor ingerichte locatie wordt gehouden. Tijdens het pleidooi ontstond ook nog een discussie of iets commercieel uitgebrachte dancemuziek is of niet, en hoe dit te meten. Wij pleiten voor monitoring, zoals dat ook al jarenlang in relatie tot Buma het geval is. Het Gerechtshof doet naar verwachting op 19 februari 2019 uitspraak.